32 Personeelsbeloningen

De meeste werknemers zijn gedekt door pensioenplannen die door bedrijven van de Groep financieel ondersteund worden. De aard van dergelijke regelingen is afhankelijk van wettelijke voorschriften, fiscale vereisten en economische omstandigheden van de landen waarin de werknemers tewerkgesteld zijn. De Groep beheert zowel toegezegde bijdragenregelingen als toegezegd-pensioenregelingen.

32.1 Toegezegde bijdragenregelingen

Regelingen inzake vergoedingen na uitdiensttreding worden geclassificeerd als “toegezegde bijdragenregelingen” als de Groep vaste bijdragen betaalt in een apart fonds of aan een onafhankelijke financiële instelling en verder geen wettelijke of feitelijke verplichting heeft om bijkomende bijdragen te betalen. Bijgevolg worden er geen activa of verplichtingen opgenomen in de balans van de Groep met betrekking tot dergelijke regelingen, met uitzondering van de gewone vooruitbetalingen en de toe te rekenen bijdragen. UCB is bij wet verplicht is om een bepaald minimaal rendement te garanderen op de werknemers- en werkgeversbijdragen voor de Belgische toegezegde bijdragenregelingen. Als een gevolg, dienen deze regelingen beschouwd te worden als toegezegd-pensioenregelingen. Indien betrouwbare schattingen kunnen gemaakt worden voor materiële regelingen, worden deze gewaardeerd onder IAS 19 op basis van de ‘projected unit credit’-methode. Deze regelingen worden samen met de resultaten voor de andere toegezegd-pensioenregelingen weergegeven.

32.2 Toegezegd-pensioenregelingen

De Groep beheert verscheidene toegezegd-pensioenregelingen. De toegekende voordelen omvatten voornamelijk pensioenvoordelen, jubileumpremies en ontslagvergoedingen. De voordelen worden toegekend volgens de lokale marktpraktijken en regelgeving.

Deze regelingen zijn ofwel niet-gefinancierd ofwel gefinancierd via externe pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen. Bij (gedeeltelijk) gefinancierde regelingen worden de fondsbeleggingen afzonderlijk aangehouden in fondsen die door de trustees beheerd worden. Indien een regeling niet-gefinancierd is, met name voor de belangrijkste toegezegd-pensioenplannen in Duitsland, wordt voor de pensioenverplichting een verplichting opgenomen in de balans van de Groep. Voor gefinancierde regelingen is de Groep aansprakelijk voor het negatieve verschil tussen de reële waarde van de fondsbeleggingen en de contante waarde van de bruto verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten. Bijgevolg wordt in de geconsolideerde balans van de Groep een verplichting (of een actief indien de regeling overgefinancierd is) opgenomen. Alle belangrijke regelingen worden jaarlijks beoordeeld door onafhankelijke actuarissen.

De Groep analyseert de waarde van de risico’s in haar balans en winst- en verliesrekening die verbonden zijn met haar toegezegd- pensioenplannen. Het beoogde risiconiveau met betrekking tot de risicomaatstaven voor een geconsolideerde balans en winst- en verliesrekening over één jaar worden jaarlijks vastgelegd op basis van door UCB bepaalde risicotolerantiedrempels.

Voor UCB zijn de belangrijkste risico's verbonden aan de toegezegd-pensioenplannen de disconteringsvoet, de inflatie en de levensverwachting. De belangrijkste risico's zijn deze met betrekking tot regelingen in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Voor de regelingen in België wordt de levensverwachting niet als een risico beschouwd, vermits pensioenen er worden uitgekeerd als een forfaitaire vergoeding of geëxternaliseerd worden vóór ze worden betaald als een annuïteit.

De voorbije jaren heeft UCB verschillende projecten uitgevoerd om de risicofactoren te verlagen.

  • In het Verenigd Koninkrijk werd de buy-out gefinaliseerd voor drie van de vier pensioen-regelingen door de voordelen van alle deelnemers aan de regelingen te verzekeren bij een verzekeringsmaatschappij. UCB heeft bijgevolg geen verplichtingen meer tegenover de deelnemers aan deze drie regelingen. Het “British Pension Scheme”, het “Dumfries Pension Scheme” en het “Bridgewater Pension Scheme” werden volledig uitgekocht, respectievelijk in oktober 2015, december 2017 en oktober 2018.
  • Het “Pension and Insurance Scheme” van Celltech in het Verenigd Koninkrijk concentreert zich sinds 2012 op een geleidelijke risicovermindering gaande van een toewijzing van 50% groei/50% obligaties naar een toewijzing van 10% groei/90% obligaties. De toewijzing groei/obligaties is momenteel rond 30%/70%.
  • UCB heeft besloten om de toegezegd-pensioenregeling in de VS af te wikkelen door een forfaitair bedrag aan de deelnemers van deze regeling aan te bieden en de overblijvende verplichtingen over te dragen aan een verzekeringsmaatschappij. De afwikkeling van deze regeling werd in december 2017 voltooid. Voor de Belgische pensioenregelingen, tenslotte, blijft de focus op een diversificatie van de fondsbeleggingen. In 2015 heeft het Belgische pensioencomité de “Global Investment Solution” van Mercer toegepast teneinde de diversificatie in het type van fondsbeleggingen en aangestelde beleggingsbeheerders te verbeteren maar tegelijkertijd toch ook een nauwgezette controle op de risico’s te behouden.

Het in de geconsolideerde balans opgenomen bedrag dat voortvloeit uit de verplichtingen van de Groep met betrekking tot haar toegezegd-pensioenregelingen is als volgt:

 

 

 

€ miljoen

2018

2017

Contante waarde van de bruto verplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten

996

1 040

Reële waarde van fondsbeleggingen

-600

-629

Tekort voor gefinancierde plannen

396

411

Impact van de limiet op activa

0

1

Netto verplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten

396

412

Plus: Verplichting met betrekking tot in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingen (Toelichting 27)

23

29

Totale verplichtingen uit personeelsbeloningen

419

441

waarvan:

 

 

Gedeelte opgenomen als langlopende verplichtingen

419

441

Gedeelte opgenomen als vaste activa

0

0

 

 

 

94% van de netto verplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten heeft betrekking op toegezegd-pensioenplannen in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.

De evolutie in de contante waarde van de bruto verplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten in het lopende jaar is als volgt:

 

 

 

€ miljoen

2018

2017

Per 1 januari

1 040

1 124

Aan het huidig dienstjaar toegerekende pensioenkosten

58

55

Rentekosten

18

22

Herwaarderingswinst (-)/verlies

 

 

Effect van wijzigingen in demografische veronderstellingen

-12

2

Effect van wijzigingen in financiële veronderstellingen

-46

-2

Effect van ervaringsaanpassingen

18

-1

Pensioenkosten van verstreken diensttijd en winst (-)/verlies op afwikkelingen

-6

8

Effect van wisselkoerswijzigingen

1

-25

Pensioenbetalingen uit het plan

-22

-36

Pensioenbetalingen door de werkgever

-6

-6

Betalingen uit afwikkelingen

-40

-99

Bijdragen door deelnemers

3

3

Overige

-6

-5

Per 31 december

996

1 040

 

 

 

De evolutie in de reële waarde van de fondsbeleggingen in het lopende jaar is als volgt:

 

 

 

€ miljoen

2018

2017

Per 1 januari

629

675

Renteopbrengsten

12

15

Herwaarderingswinst/verlies (-)

 

 

Rendement op fondsbeleggingen (excl. renteopbrengsten)

-29

27

Wijzigingen in de limiet op activa (excl. renteopbrengsten)

0

0

Effect van wisselkoerswijzigingen

1

-20

Bijdragen door deelnemers

2

3

Werkgeversbijdragen

62

72

Pensioenbetalingen uit het plan

-28

-36

Betalingen uit afwikkelingen

-40

-99

Betaalde onkosten, belastingen en premies

-8

-8

Wijziging van de reikwijdte

-1

0

Per 31 december

600

629

 

 

 

De reële waarde van de fondsbeleggingen bedraagt € 600 miljoen (2017: € 629 miljoen), goed voor 60% (2017: 61%) van de bruto verplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten. Het totale tekort van € 396 miljoen (2017: € 411 miljoen) zal naar verwachting weggewerkt worden over de geschatte resterende gemiddelde duur van het dienstverband van het huidige lidmaatschap.

De bedragen die zijn opgenomen in de geconsolideerde winst- en verliesrekening en in het geconsolideerd overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten van deze toegezegd-pensioenplannen zijn de volgende:

 

 

 

€ miljoen

2018

2017

Totaal aan het dienstjaar toegerekende pensioenkosten, (incl. pensioenkosten van verstreken diensttijd en winst (-)/verlies uit afwikkelingen)

52

63

Netto rentekosten

6

7

Herwaardering van andere lange-termijnpersoneelsbeloningen

1

0

Administratiekosten en belastingen

2

2

Componenten van kosten voor toegezegde pensioenen die zijn geboekt in de winst- en verliesrekening

61

72

Herwaarderingswinst (-)/verlies

 

 

Effect van wijzigingen in demografische veronderstellingen

-11

2

Effect van wijzigingen in financiële veronderstellingen

-46

-2

Effect van ervaringsaanpassingen

16

-1

Rendement op fondsbeleggingen (excl. renteopbrengsten)

29

-26

Wijzigingen in de limiet op activa (excl. renteopbrengsten)

0

0

Componenten van kosten voor toegezegde pensioenen die zijn geboekt in niet-gerealiseerde resultaten

-12

-27

Totale componenten van kosten voor toegezegde pensioenen

49

45

 

 

 

De totale aan het dienstjaar toegerekende pensioenkosten, de netto rentekosten, de herwaardering van andere lange-termijnpersoneelsbeloningen, administratiekosten en belastingen voor het jaar zijn opgenomen onder de kosten voor personeelsbeloningen in de geconsolideerde winst- en verliesrekening. 93% van de kosten voor toegezegde pensioenen die opgenomen zijn in de winst- en verliesrekening hebben betrekking op toegezegd-pensioenregelingen in België en het Verenigd Koninkrijk. De herwaardering van de netto verplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten is opgenomen in het geconsolideerd overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten als onderdeel van de niet-gerealiseerde resultaten. De totale herwaarderingen resulteerden in een winst van € 12 miljoen in 2018 in vergelijking met een winst van € 27 miljoen in 2017. De winst in 2018 is voornamelijk het gevolg van een toename in de disconteringsvoeten en een bijwerking van de sterftetabellen in het Verenigd Koninkrijk, gecompenseerd door een lager rendement op fondsbeleggingen.

De opsplitsing van de geboekte kosten over de functionele lijnen is als volgt:

 

 

 

€ miljoen

2018

2017

Kostprijs van de omzet

12

15

Marketing- en verkoopkosten

12

8

Onderzoeks- en ontwikkelingskosten

30

26

Algemene en administratiekosten

7

23

Overige baten en lasten

0

0

Totaal

61

72

 

 

 

Het reële rendement op de fondsbeleggingen bedraagt €-29 miljoen (2017: € 27 miljoen), en het reële rendement op restitutierechten bedraagt € 0 miljoen (2017: € 0 miljoen).

De voornaamste categorieën van fondsbeleggingen op het einde van de rapporteringsperiode zijn als volgt:

 

 

 

€ miljoen

2018

2017

Geldmiddelen en kasequivalenten

20

12

Eigen-vermogensinstrumenten

143

143

Europa

46

57

Verenigde Staten

14

32

Rest van de wereld

83

54

Schuldinstrumenten

224

195

Bedrijfsobligaties

110

83

Overheidsobligaties

52

46

Overige

62

66

Vastgoed

11

9

In aanmerking komende verzekeringscontracten

90

133

Beleggingsfondsen

94

113

Overige

18

24

Totaal

600

629

 

 

 

Nagenoeg alle aandelen en schuldinstrumenten beschikken over beurskoersen in actieve markten. Vastgoed kan gerangschikt worden als niveau 3-instrument op basis van de definities in IFRS 13, Waardering tegen reële waarde.

De in de fondsen aangehouden activa bevatten geen directe beleggingen in aandelen van UCB, noch in onroerend goed of andere activa die gebruikt worden door de Groep, al kan het wel zijn dat UCB aandelen deel uit maken van de investeringen in beleggingsfondsen. De voornaamste gewogen gemiddelde actuariële veronderstellingen die zijn gebruikt, zijn als volgt:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eurozone

KV

VS

Overige

 

2018

2017

2018

2017

2018

2017

2018

2017

Disconteringsvoet

1,94%

1,61%

2,90%

2,60%

niet van toepassing

3,40%

0,83%

0,68%

Inflatie

1,75%

1,75%

3,30%

3,20%

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Belangrijke actuariële veronderstellingen voor de bepaling van de bruto verplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten zijn de disconteringsvoet en de inflatie. De volgende gevoeligheidsanalyses werden bepaald op basis van redelijkerwijze mogelijke fluctuaties in de veronderstellingen die zich voordoen op het einde van de rapporteringsperiode.

  • Als de disconteringsvoet 50 basispunten hoger (lager) zou zijn, dan zouden de bruto verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten dalen met € 73 miljoen (stijgen met € 82 miljoen) als alle overige veronderstellingen constant zouden blijven.
  • Als het inflatiepercentage zou stijgen (dalen) met 25 basispunten, dan zouden de bruto verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten stijgen met € 22 miljoen (dalen met € 21 miljoen) als alle overige veronderstellingen constant zouden blijven.

De cijfers zoals boven vermeld houden geen rekening met enige onderlinge relatie tussen de veronderstellingen, met name tussen de disconteringsvoet, verwachte loonsverhogingen en inflatiepercentages.

De dochterondernemingen van de Groep moeten de verwachte verdiende pensioenrechten op jaarbasis financieren. De financiering is doorgaans gebaseerd op lokale actuariële vereisten en in dit kader wordt de disconteringsvoet bepaald op basis van een risicovrije interestvoet.

Onderfinanciering in verband met verstreken diensttijd wordt voldaan door het opzetten van herstelplannen en beleggingsstrategieën op basis van de demografische evolutie voor het plan, de juiste periodes voor de aflossing van verplichtingen voor verstreken diensttijd, verwachte loonsverhogingen en de financiële mogelijkheden van de plaatselijke onderneming.

De gemiddelde duur van de toegezegd-pensioenregelingen op het einde van de rapporteringsperiode bedraagt 15,74 jaar (2017: 16,95 jaar). Dit cijfer kan verder worden uitgesplitst in een gemiddelde duur voor volgende regio's:

  • Eurozone: 14,16 jaar (2017: 15,32 jaar);
  • Verenigd Koninkrijk: 18,71 jaar (2017: 19,74 jaar);
  • Overige: 18,39 jaar (2017: 19,33 jaar).

De Groep verwacht in de loop van het volgende boekjaar een bijdrage te doen van € 64 miljoen aan de toegezegd-pensioenregelingen.

Om de drie jaar wordt een studie uitgevoerd waarin activa en passiva tegen elkaar afgewogen worden. Hierin worden de beleggingsstrategieën geanalyseerd in het licht van risico- en rendementsprofielen. Een dergelijke studie werd in 2018 in Zwitserland uitgevoerd. Deze studie resulteerde in een kleine herschikking van de activa. In België werd de meest recente studie uitgevoerd in 2016. Een nieuwe studie zal uitgevoerd worden in de loop van 2019.

Bij het bepalen van een langetermijnstrategie voor de pensioenplannen, houdt het beleggingscomité rekening met enkele door de Groep gedefinieerde basisprincipes zoals:

  • een goed evenwicht tussen het bijdrageniveau dat aanvaardbaar is voor UCB en het niveau van het beleggingsrisico dat aan de verplichtingen verbonden is;
  • de volatiliteit verminderen door een diversificatie van de beleggingen; en
  • het niveau van het beleggingsrisico dient af te hangen van de financiële situatie van de regelingen en hun schuldpositie.